Juristi.nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:2364Bestuursrecht; Belastingrecht

Rechter vernietigt aanmaningskosten en kent dwangsom toe wegens trage beslissing — RBZWB:2026:2364

belastinginvordering / aanmaningskosten / dwangsom wegens niet tijdig beslissen

Eiser / verzoeker

Belanghebbende (belastingplichtige)

VS

Verweerder / gedaagde

Invorderingsambtenaar van SaBeWa

De rechtbank vernietigt de aanmaningskosten van €18, stelt de verbeurde dwangsom vast op €1.442 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 februari 2024, en veroordeelt de invorderingsambtenaar tot vergoeding van €50 griffierecht en €800 proceskosten.

  • Een ambtshalve besluit tot terugbetaling van aanmaningskosten treedt pas in werking na schriftelijke bekendmaking aan belanghebbende; nu dat niet was aangetoond, was het bezwaar ontvankelijk.
  • De invorderingsambtenaar heeft de wettelijke beslistermijn op bezwaar ruimschoots overschreden, waardoor de maximale dwangsom van €1.442 is verbeurd.
  • Omdat de invorderingsambtenaar de dwangsom niet tijdig bij beschikking heeft vastgesteld en betaald, is ook wettelijke rente verschuldigd vanaf 28 februari 2024.
  • Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak op bezwaar alsnog tijdens de beroepsprocedure werd gedaan.

Samenvatting

Een inwoner van een onbekende Nederlandse gemeente kreeg van de gemeentelijke belastingdienst SaBeWa een aanmaning opgestuurd voor het niet betalen van forensenbelasting over 2022. Bij die aanmaning werden ook €18 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. De belastingplichtige maakte daartegen bezwaar op 31 augustus 2023.

De invorderingsambtenaar liet vervolgens maandenlang niets van zich horen. Toen eind 2023 nog steeds geen beslissing was genomen, stelde de belastingplichtige de invorderingsambtenaar formeel in gebreke. Die ingebrekestelling is van belang omdat zij de basis vormt voor een zogenoemde dwangsom: een vergoeding die een bestuursorgaan verbeurt als het te laat beslist op een bezwaar.

Pas op 20 juni 2024 — bijna een jaar na het bezwaar — deed de invorderingsambtenaar uitspraak. Die uitspraak was echter opvallend: het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de invorderingsambtenaar stelde dat de aanmaningskosten al op 15 augustus 2023 ambtshalve waren terugbetaald. Dat zou dan zijn gebaseerd op een intern beleidsstuk dat bij vermindering van aanslagen automatisch tot terugbetaling leidt. Ook stelde de invorderingsambtenaar dat geen dwangsom verschuldigd was.

De belastingplichtige was het hier niet mee eens en ging in beroep bij de rechtbank. Zijn gemachtigde, mr.drs. J.C. Scherff, meldde zich af voor de zitting; de invorderingsambtenaar was wel aanwezig.

De rechtbank oordeelde vervolgens op twee punten in het voordeel van de belastingplichtige. Ten eerste had de invorderingsambtenaar het bezwaar niet niet-ontvankelijk mogen verklaren. Een besluit treedt namelijk pas in werking nadat het is bekendgemaakt aan de betrokkene. De invorderingsambtenaar kon geen schriftelijk besluit overleggen waaruit bleek dat de aanmaningskosten daadwerkelijk waren terugbetaald of dat een dergelijk besluit aan belanghebbende was meegedeeld. Omdat dat niet was aangetoond, was er ten tijde van het bezwaar gewoon nog sprake van in rekening gebrachte aanmaningskosten — en was het bezwaar dus gewoon ontvankelijk.

Ten tweede had de invorderingsambtenaar wél een dwangsom moeten toekennen. De bezwaartermijn liep tot eind augustus 2023, waarna de invorderingsambtenaar in beginsel tot 12 oktober 2023 de tijd had om een beslissing te nemen. Die termijn was ruimschoots verstreken toen in november 2023 de ingebrekestelling binnenkwam. De maximale dwangsom bedraagt €1.442 en die was volledig verbeurd. Bovendien had de invorderingsambtenaar de dwangsom uiterlijk op 17 januari 2024 bij beschikking moeten vaststellen en vervolgens uiterlijk op 28 februari 2024 moeten betalen. Nu dat niet was gebeurd, is ook wettelijke rente verschuldigd over de dwangsom vanaf die datum.

De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en ook het oorspronkelijke besluit tot het in rekening brengen van de aanmaningskosten van €18. De invorderingsambtenaar moet daarnaast de dwangsom van €1.442 betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 februari 2024, het griffierecht van €50 vergoeden en €800 aan proceskosten betalen.

Betrokken advocaten

mr.drs. J.C. Scherff

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

30 maart 2026

Zaaknummer

BRE 23/11288

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBZWB:2026:2364

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter handhaaft btw-boete voor vergeten btw-aangifte
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·30 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
Naheffingsaanslag parkeerbelasting Breda vernietigd, beroep niet-ontvankelijk
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·30 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtbank verklaart beroep Duitse belastingplichtige niet-ontvankelijk
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·30 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
Bredanaar krijgt griffierecht terug na vernietiging parkeerboete
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·30 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
Belastingberoep sneuvelt bij gebrek aan machtiging gemachtigde
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·27 maart 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht