Verdachte vrijgesproken van witwassen wegens onvoldoende onderzoek OM — RBZWB:2026:2504
witwassen / strafrecht
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie (officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen)
Verweerder / gedaagde
verdachte
De verdachte werd vrijgesproken van witwassen omdat het Openbaar Ministerie zijn verklaring over de herkomst van het geld onvoldoende had onderzocht.
- Er was een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op basis van financieel onderzoek, maar dit vermoeden alleen is onvoldoende voor veroordeling
- Het Openbaar Ministerie heeft de concrete en niet op voorhand ongeloofwaardige verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld onvoldoende onderzocht, waardoor wettig en overtuigend bewijs ontbrak
Samenvatting
Een man uit Breda stond terecht bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant op verdenking van witwassen. Het Openbaar Ministerie beschuldigde hem ervan ruim 42.500 euro aan contant geld te hebben witgewassen in de periode van april 2019 tot januari 2022. De rechtbank sprak hem volledig vrij.
De aanklager baseerde de verdenking op een financieel onderzoek, waaruit naar voren zou komen dat het geld van misdrijf afkomstig was. Omdat de verdachte geen afdoende verklaring zou hebben gegeven over de herkomst van het geld, vond de officier van justitie bewijs genoeg voor veroordeling.
De verdediging voerde twee argumenten aan voor vrijspraak. Ten eerste was er volgens haar helemaal geen gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Ten tweede, en dit werd cruciaal, had het Openbaar Ministerie nagelaten de verklaring die de verdachte wél had gegeven over de herkomst van het geld te onderzoeken.
De rechtbank gaf de officier van justitie aanvankelijk gelijk op het eerste punt: het financieel onderzoek leverde inderdaad een gerechtvaardigd vermoeden op dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Maar daarmee was de kous niet af. Zodra zo'n vermoeden bestaat, moet een verdachte een concrete en niet op voorhand ongeloofwaardige verklaring geven over de herkomst van het geld. Als hij dat doet, is het vervolgens aan het Openbaar Ministerie om die verklaring te onderzoeken.
Dat is precies wat hier misging. De verdachte had wel degelijk een concrete, min of meer verifieerbare en niet bij voorbaat ongeloofwaardige verklaring gegeven, inclusief aanknopingspunten voor nader onderzoek. Het Openbaar Ministerie heeft die verklaring echter onvoldoende onderzocht. Daardoor kon de rechtbank niet vaststellen dat het geld daadwerkelijk uit enig misdrijf afkomstig was. Zonder dat bewijs is een veroordeling voor witwassen niet mogelijk.
De rechtbank sprak de verdachte dan ook vrij. De uitspraak illustreert een belangrijk principe in witwaszaken: het enkele bestaan van een vermoeden is niet genoeg voor een veroordeling. Wanneer een verdachte een plausibele verklaring geeft, rust op het Openbaar Ministerie de plicht die verklaring serieus te onderzoeken en te weerleggen. Laat het OM dat na, dan schiet het bewijs tekort.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2026:2503, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-04-2026, 02-338017-23
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2026:2458, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-04-2026, 02-332143-25
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2026:2459, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-04-2026, 02-282405-24
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2026:1944, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-03-2026, 02-182242-25
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
02-003691-22
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:2504