ECLI:NL:RVS:2012:BX0296, Raad van State, 04-07-2012, 201111412/1/A1 — RVS:2012:BX0296
Samenvatting
Lastgeving onder oplegging van een dwangsom om de aanwezige caravans, boten en ander materiaal van derden uit de kassen op een perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Dit gebruik is, naar niet in geschil is, in strijd met art. 30, lid 2, onderdeel 1, van de planvoorschriften. Het college was derhalve bevoegd terzake handhavend op te treden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 mei 2009, in zaak nr. 200806126/1/H1, LJN: BI2969) is het verlenen van een vrijstelling op de voet van de zogeheten toverformule eerst mogelijk en ook verplicht, indien een zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief gezien niet meer mogelijk is. Er bestaat geen aanleiding om daar onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht anders over te denken. Appellant betoogt tevergeefs dat het voor hem financieel niet meer haalbaar is om een glastuinbouwbedrijf op het perceel te exploiteren, reeds nu deze omstandigheid niet betekent dat het perceel objectief gezien niet meer voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van glastuinbouw zou kunnen worden gebruikt. De omstandigheid dat door het college in het kader van een beoogde herstructurering van het gebied waarin het perceel is gelegen tot een hoogwaardig glastuinbouwgebied onderzoek wordt gedaan naar de financiële en economische haalbaarheid van deze ontwikkeling, betekent niet dat het perceel objectief gezien niet meer voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van glastuinbouw zou kunnen worden gebruikt. De stelling van appellant dat de gemeente is gestopt met pogingen om gronden aan te kopen om een duurzame tuinbouwbestemming te realiseren, geeft evenmin grond voor een ander oordeel, reeds omdat hij deze stelling niet met voldoende feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het college verplicht is op de voet van de zogeheten "toverformule" als vervat in art. 30, lid III, onder 2, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen. Het betoog faalt derhalve. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Betrokken advocaten
mr. T. van den Driesche
appellant
J. Hooijmans
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:4492, Raad van State, 06-11-2024, 202300023/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2024:3993, Raad van State, 09-10-2024, 202203768/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2023:4522, Raad van State, 06-12-2023, 202003207/2/R2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2022:1691, Raad van State, 15-06-2022, 202106129/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
4 juli 2012
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
201111412/1/A1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2012:BX0296