Juristi.nl
ECLI:NL:RVS:2013:BY8006Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2013:BY8006, Raad van State, 09-01-2013, 201205611/1/A2 — RVS:2013:BY8006

Samenvatting

De raad voert bij de toepassing van de Wrb beleid, neergelegd in het Handboek Toevoegen 2007 (hierna: het Handboek) en de werkinstructie Resultaatbeoordeling. Hieruit volgt dat betalingen ineens of vorderingen op betaling ineens, met terugwerkende kracht, van eerder te ontvangen periodieke bedragen (loon, uitkering, alimentatie) wel in aanmerking worden genomen bij de berekening van het resultaat. Aanspraken op toekomstige periodiek te ontvangen bedragen (loon, uitkering, alimentatie) worden niet gekapitaliseerd en niet in aanmerking genomen. Anders dan appellante betoogt is er geen grond voor het oordeel dat het beleid van de raad in strijd met art. 34g van de Wrb of de bedoeling van de wetgever is. Art. 34g, lid 1, aanhef en onder b, van de Wrb ziet op het resultaat van een zaak bestaande uit een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen. De Rb. is terecht ervan uitgegaan dat hiermee niet onverenigbaar is het beleid van de raad dat er op neerkomt dat periodieke betalingen alleen worden meegenomen wanneer zij met terugwerkende kracht in één keer worden uitbetaald of wanneer daarop een vordering bestaat en dat aanspraken op toekomstige periodiek te ontvangen bedragen niet worden gekapitaliseerd en niet in aanmerking worden genomen. Partneralimentatie zoals hier aan de orde is een inkomensvoorziening voor levensonderhoud vanaf de datum van de beschikking van de Rb. over de echtscheiding en ziet niet op de periode hiervoor. Dit is ook het verschil met de vergoeding voor boedelscheiding, waarbij het gaat om een vordering ineens. Dat de partneralimentatie die vanaf de datum van de beschikking van de Rb. periodiek uitgekeerd zal worden, niet in aanmerking wordt genomen, betekent dan ook niet dat rechtzoekenden ongelijk worden behandeld en is niet in strijd met het verbod van willekeur. De Rb. heeft in dit verband voorts met juistheid overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat met het beleid geen adequate uitvoering aan de bedoeling van de wetgever wordt gegeven. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 34g van de Wrb volgt immers uitdrukkelijk dat, anders dan onder het oude recht het geval was, eerdergenoemde vorderingen niet worden gekapitaliseerd, waaraan de wens voor een inzichtelijker gebruik van de toename van de draagkracht ten grondslag heeft gelegen (Kamerstukken II 2004/05, 29 685, nr. 6, blz. 18). Voorts wordt ter toelichting op art. 34g van de Wrb vermeld dat "Uit een oogpunt van werkbaarheid wordt voorgesteld om daarvoor een objectieve norm te hanteren. Daarbij lijkt het redelijk om te stellen dat de rechtzoekende die een geldsom krijgt ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen in staat is de kosten van rechtsbijstand zelf te dragen. (…) De waarde van goederen die de rechtzoekende ontvangt, wordt niet meegeteld" (Kamerstukken II 2004/05, 29 685, nr. 3, blz. 22 en 23). Hieruit volgt niet dat het de bedoeling van de wetgever is geweest bij echtscheidingszaken een andere toets aan te leggen bij de beoordeling van het resultaat dan bij alimentatiezaken, ontbindingszaken en sociale verzekeringszaken. Ook in deze zaken worden de vorderingen op toekomstige periodiek te ontvangen bedragen immers niet gekapitaliseerd en derhalve niet in aanmerking genomen. Dit is ook zo in het beleid van de raad neergelegd. Bij de toevoegingsaanvraag wordt uitgegaan van het peiljaar. In geval van onderling tegenstrijdige belangen wordt het inkomen van vermogen van een partner niet meegenomen. Bij de resultaatsbeoordeling worden toekomstige periodiek te ontvangen bedragen niet gekapitaliseerd en derhalve niet in aanmerking genomen. Dit kan ertoe leiden dat zich de situatie voordoet waarin bepaalde inkomensbestanddelen zowel bij de aanvraag als bij de resultaatsbeoordeling niet worden meegenomen. Dit vloeit voort uit het systeem van de wet en betekent, anders dan appellante betoogt, niet dat het beleid van de raad in strijd met de wet is. Ongegrond hoger beroep

Betrokken advocaten

mr. J. Hamer

appellant

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

9 januari 2013

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

201205611/1/A2

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:RVS:2013:BY8006

Bekijk op rechtspraak.nl