ECLI:NL:RVS:2018:3226, Raad van State, 03-10-2018, 201806925/1/A1 — RVS:2018:3226
Samenvatting
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 17 mei 2016 het besluit op bezwaar van het college van 12 juni 2015 vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Nu de ingebrekestelling bij brief van 5 juli 2018 heeft plaatsgevonden en op dezelfde dag door het college is ontvangen, is ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb, 21 juli 2018 de eerste dag waarover het college aan [appellant] een dwangsom is verschuldigd.
Betrokken advocaten
J.P. Buijze
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOBR:2025:2815, Rechtbank Oost-Brabant, 15-05-2025, C/01/413756 / KG ZA 25-129
Rechtbank Oost-Brabant · Civiel Recht
ECLI:NL:RBROT:2024:13242, Rechtbank Rotterdam, 16-12-2024, C/10/690116 / KG ZA 24-1134
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBOVE:2024:5687, Rechtbank Overijssel, 30-10-2024, C/08/305714/HA ZA 23 - 432
Rechtbank Overijssel · Civiel Recht
ECLI:NL:RBZWB:2024:3575, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-04-2024, C/02/412663 / HA ZA 23-424
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
3 oktober 2018
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
201806925/1/A1
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2018:3226