ECLI:NL:RVS:2022:3863, Raad van State, 21-12-2022, 202101856/1/R3 — RVS:2022:3863
Samenvatting
Bij besluit van 8 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland aan [appellant] een preventieve last onder dwangsom opgelegd om ervoor te zorgen dat hij een mestsilo achter perceel [locatie] te Opeinde leeg houdt en deze niet in gebruik neemt voor de opslag van (mest)stoffen. Het perceel was tot 2000 in eigendom van [maatschap], die daar een agrarisch bedrijf uitoefende. Op het perceel staat onder meer een mestsilo, waarvoor in 1992 een bouwvergunning is verleend. Op 16 maart 2000 is de gemeente Smallingerland via kavelruil eigenaar geworden van het perceel en de aanwezige opstallen, waaronder de mestsilo. Vanaf dat moment is er geen agrarisch bedrijf meer op het perceel gevestigd. De silo op het perceel is in de periode vanaf 23 januari 2007 nog wel gebruikt voor de opslag van de mest door [maatschap] dat in de omgeving agrarische gronden huurde. De laatste aanvoer van mest door dat bedrijf was op 4 januari 2013. In de periode van 14 december 2006 tot 1 mei 2012 heeft de gemeente het huis op het perceel verhuurd als woonhuis.
Betrokken advocaten
mr. A.J. Spoelstra
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:342, Raad van State, 21-01-2026, 202403267/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:2342, Rechtbank Noord-Nederland, 06-06-2025, LEE 22-4541 en 22-4542
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:2346, Rechtbank Noord-Nederland, 06-06-2025, LEE 23/433
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:888, Raad van State, 05-03-2025, 202105725/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
21 december 2022
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202101856/1/R3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:3863