ECLI:NL:RVS:2025:6342, Raad van State, 24-12-2025, 202303260/1/A3 — RVS:2025:6342
Samenvatting
Bij besluiten van 3 februari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvragen van [appellant A] en [appellant B] om ligplaatsvergunningen voor woonboten afgewezen. Bij brieven van 11 september 2019 en 19 september 2019 hebben [appellant A] en [appellant B] ligplaatsvergunningen aangevraagd voor woonboten. Het college heeft de aanvragen afgewezen, omdat op grond van artikel 2.3.1, vierde lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 een ligplaatsvergunning alleen wordt gegeven als de overigbenodigde vergunningen zijn of worden verleend. Volgens het college moeten de aanvragen worden afgewezen omdat geen omgevingsvergunning is aangevraagd of zal worden verleend. Bij brief van 4 februari 2020 hebben [appellant A] en [appellant B] daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 15 november 2021 hebben zij het college in gebreke gesteld om een besluit op het bezwaar te nemen. Bij besluiten van 3 maart 2022 heeft het college de bezwaren van [appellant A] en [appellant B] ongegrond verklaard. Ook heeft het college besloten om geen dwangsom toe te kennen voor overschrijding van de beslistermijn.
Betrokken advocaten
mr. M. van Looij
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2024:22419, Rechtbank Den Haag, 24-12-2024, C/09/ 666443 HA ZA 24-437
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBGEL:2022:7578, Rechtbank Gelderland, 07-12-2022, C/05/388303 / HZ ZA 21-187
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNHO:2022:6962, Rechtbank Noord-Holland, 10-08-2022, C/15/328079 / HA ZA 22-307
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBGEL:2022:2277, Rechtbank Gelderland, 04-05-2022, C/05/395177 / HZ ZA 21-357
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
24 december 2025
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202303260/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:6342