Raad van State fluit rechter terug in grensdetentiezaak Schiphol — RVS:2026:1656
vreemdelingenbewaring / grensdetentie / Dublin-procedure
Eiser / verzoeker
minister van Asiel en Migratie (appellant in hoger beroep)
Verweerder / gedaagde
betrokkene (Ecuadoriaanse man)
Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
- Rechtbank ging ten onrechte uit van een Dublinclaim bij Italië die niet uit de stukken bleek, wat haar oordeel over de grensprocedure ondermijnde.
- Grond 3a (visum gebruikt voor ander doel dan beoogd) en lichte gronden 4c en 4d (geen vaste verblijfplaats, onvoldoende middelen) zijn deugdelijk gemotiveerd door de minister.
- De gronden leveren samen een significant risico op onderduiken op, waarmee de vrijheidsontnemende maatregel voldoende is gedragen.
- Verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat de grensdetentie rechtmatig werd bevonden.
Samenvatting
Een man uit Ecuador die op 4 augustus 2024 via Schiphol wilde doorreizen naar Italië, werd aan de grens tegengehouden en in grensdetentie geplaatst. Hij had een geldig Schengenvisum voor toerisme, maar diende bij aankomst een asielaanvraag in. De minister van Asiel en Migratie weigerde hem de toegang en legde hem een vrijheidsontnemende maatregel op.
De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) verklaarde het beroep van de man op 13 augustus 2024 gegrond en beval zijn vrijlating. De rechtbank redeneerde dat de detentie onevenredig zwaar was omdat er in beide denkbare scenario's — of Italië nu wel of niet verantwoordelijk zou zijn voor zijn asielaanvraag via de Dublinverordening — de man uiteindelijk sowieso in vrijheid zou worden gesteld. Overdrachten aan Italië zijn al sinds december 2022 niet mogelijk wegens een gebrek aan opvangcapaciteit. Daarbij oordeelde de rechtbank dat de asielaanvraag ook niet tijdig in de grensprocedure kon worden behandeld als Italië de verantwoordelijkheid zou afwijzen.
De minister tekende hoger beroep aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van zijn bezwaar: de rechtbank ging er ten onrechte van uit dat betrokkene al bij de Italiaanse autoriteiten was geclaimd. Uit de stukken in het dossier bleek dat namelijk helemaal niet. Doordat die aanname onjuist was, klopte ook de redenering over het tijdpad van de grensprocedure niet.
De Raad van State stelt de minister in het gelijk. De rechtbank had een feitelijk onjuiste aanname als vertrekpunt genomen. Nu er geen bewijs was dat Italië daadwerkelijk was geclaimd, was er evenmin reden om te concluderen dat de grensprocedure niet tijdig afgerond kon worden. De grief van de minister slaagt.
Vervolgens beoordeelde de Raad van State de rechtmatigheid van de detentie zelf opnieuw. De aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden — onder meer dat de man met zijn visum een ander doel had dan reizen, dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had en over onvoldoende middelen beschikte — werden voldoende gemotiveerd geacht. Samen leveren die gronden een significant risico op onderduiken op, wat grensdetentie rechtvaardigt. Het beroep van de man werd alsnog ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1928, Rechtbank Den Haag, 30-01-2026, NL25.63227
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1442, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, NL25.33179
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1618, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.38528 en NL25.38529
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:23496, Rechtbank Den Haag, 08-12-2025, NL25.19698
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
BRS.24.000325
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1656