Raad van State: minister handelde onzorgvuldig bij onderzoek opvang Marokkaanse jongere — RVS:2026:1657
Verblijfsvergunning regulier / buitenschuldbeleid niet-begeleide minderjarigen / onderzoeksplicht adequate opvang
Eiser / verzoeker
Marokkaanse jongeman (niet-begeleide minderjarige)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Hoger beroep gegrond: besluit van minister vernietigd en minister opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen; proceskosten van €3.269,00 worden vergoed.
- Minister heeft onvoldoende gemotiveerd hoe hij voortvarend heeft gehandeld bij het onderzoek naar adequate opvang vóór de meerderjarigheid van appellant.
- Minister heeft verzuimd alternatieve vormen van informatievergaring in te zetten toen gehoor door psychische problematiek niet mogelijk was.
- Bij de beoordeling van de meewerkplicht had de minister rekening moeten houden met de bijzondere kwetsbaarheid en medische situatie van appellant.
- Besluit van 7 januari 2025 vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering; minister moet binnen twaalf weken opnieuw beslissen.
Samenvatting
Een Marokkaanse jongeman die als vijftienjarige alleen naar Nederland kwam en hier asiel aanvroeg, krijgt een nieuwe kans op een verblijfsvergunning. De Raad van State heeft bepaald dat de minister van Asiel en Migratie opnieuw moet beslissen over zijn aanvraag, omdat het eerdere onderzoek onzorgvuldig was en onvoldoende gemotiveerd.
De man diende als niet-begeleide minderjarige een asielaanvraag in. Die werd in 2022 afgewezen, maar de rechter droeg de minister eerder al op nader te onderzoeken of er in Marokko adequate opvang voor hem beschikbaar was — een vereiste onder het zogeheten buitenschuldbeleid voor niet-begeleide minderjarigen. Begin 2025 weigerde de minister opnieuw een verblijfsvergunning te verlenen.
Het probleem was dat de man door ernstige psychische problemen en suïcidaal gedrag jarenlang niet gehoord kon worden. Medisch adviseur Medi-First bracht tussen april en oktober 2023 maar liefst vier keer een negatief hooradvies uit. De Dienst Terugkeer en Vertrek stelde vast dat de vertraging in het onderzoek evident niet aan de man te wijten was. Toch wachtte de minister tot februari 2024 — nadat de jongeman al meerderjarig was geworden — om schriftelijke vragen te stellen.
De Raad van State oordeelt nu op twee punten dat de minister tekortschoot. Ten eerste heeft de minister niet deugdelijk uitgelegd wat hij deed in de periode vóór de meerderjarigheid van de jongeman en waarom hij het onderzoek niet eerder kon afronden. Er was nauwelijks contact met de gemachtigde over alternatieven voor horen, en de minister gebruikte geen alternatieve methoden van informatievergaring die zijn eigen werkinstructies voorschrijven.
Ten tweede nam de minister het de jongeman kwalijk dat hij geen concrete adresgegevens van familieleden in Marokko aanleverde — maar hield daarbij onvoldoende rekening met zijn bijzondere kwetsbaarheid. Uit meerdere medische stukken bleek duidelijk dat zijn psychische situatie grote invloed had op wat hij kon bijdragen aan het onderzoek. Bovendien bood de minister hem na de schriftelijke reactie geen gelegenheid om ontbrekende informatie aan te vullen, en ondersteunde of adviseerde hij hem daarin ook niet.
De Raad van State vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank Den Haag als het besluit van de minister van 7 januari 2025. De minister moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen en betaalt de proceskosten van €3.269,00.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1979, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.52650
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1910, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL26.1441
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1703, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.50414 V
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1102, Rechtbank Den Haag, 21-01-2026, NL25.60544
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
BRS.25.000428
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1657