Raad van State verlaagt dwangsom in mvv-zaak van €37.500 naar €7.500 — RVS:2026:1792
dwangsom bij niet tijdig beslissen op mvv-aanvraag / vreemdelingenrecht
Eiser / verzoeker
Minister van Asiel en Migratie
Verweerder / gedaagde
Betrokkene A en Betrokkene B
Het hoger beroep van de minister is gegrond; de dwangsom wordt verlaagd van €250 per dag (max. €37.500) naar €100 per dag (max. €7.500).
- Een verhoogde dwangsom van €250 per dag is alleen gerechtvaardigd bij aantoonbare weigerachtigheid van het bestuursorgaan of een uitzonderlijk groot belang.
- Het enkele feit dat de minister niet heeft uitgelegd waarom geen verzuimherstel of DNA-onderzoek is aangeboden, maakt het bestuursorgaan nog niet weigerachtig.
- De rechtbank had de minister in de gelegenheid moeten stellen zijn standpunt toe te lichten voordat zij een hogere dwangsom oplegde.
- De standaard dwangsom in vreemdelingenzaken bedraagt €100 per dag met een maximum van €7.500; een verdubbeling moet uitzondering zijn.
Samenvatting
Twee personen dienden een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), maar de minister nam jarenlang geen besluit. Toen zij daartegen beroep instelden wegens het uitblijven van een beslissing, gaf de rechtbank Den Haag de minister een harde deadline en koppelde daar een dwangsom aan: €250 per dag dat de minister te laat is, met een maximum van €37.500.
De rechtbank motiveerde die verhoogde dwangsom met de overweging dat de minister niet had uitgelegd waarom hij de betrokkenen niet eerder had gewezen op een te herstellen verzuim in hun aanvraag, en waarom er ook geen DNA-onderzoek was opgestart — iets wat in dit soort zaken gebruikelijk is om familierelaties aan te tonen. Omdat de minister dat had nagelaten, vond de rechtbank een hogere prikkel nodig dan de standaard dwangsom.
De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State. Hij betoogde dat de hogere dwangsom niet proportioneel was. Volgens de geldende landelijke gedragslijn voor vreemdelingenzaken bedraagt de standaarddwangsom €100 per dag met een maximum van €7.500. Een verdubbeling is alleen gerechtvaardigd als het bestuursorgaan aantoonbaar weigerachtig is of als er een bijzonder groot belang op het spel staat. Geen van beide situaties deed zich hier voor, aldus de minister.
De Raad van State geeft de minister gelijk. Alleen omdat de minister niet heeft toegelicht waarom hij bepaalde stappen niet eerder heeft gezet, volgt daaruit nog niet dat hij weigerachtig is. Bovendien had de rechtbank de minister hierover eerst moeten horen voordat zij tot een hogere dwangsom overging — dat heeft zij nagelaten. Ook van een uitzonderlijk groot belang dat een verhoogde dwangsom zou rechtvaardigen, is de Afdeling niet gebleken.
De Raad van State vernietigt het deel van de rechtbankuitspraak dat de hogere dwangsom vaststelde en bepaalt dat de minister een dwangsom verschuldigd is van €100 per dag, met een maximum van €7.500.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1885, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.57327
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1437, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.62754
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1359, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.57328
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1357, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.57325
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
202302538/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1792