Minister hoeft asieluitspraak niet uit te voeren tijdens hoger beroep — RVS:2026:1799
asielrecht / voorlopige voorziening / verblijfsvergunning asiel
Eiser / verzoeker
Minister van Asiel en Migratie (verzoeker in voorlopige voorziening)
Verweerder / gedaagde
Betrokkene (asielzoekster)
De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen: de minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
- Voorzieningenrechter wijst verzoek om voorlopige voorziening van de minister toe
- Minister hoeft uitspraak rechtbank Den Haag van 13 februari 2026 niet uit te voeren hangende hoger beroep
- Hoger beroep vereist nader onderzoek waarvoor de kort-gedingprocedure zich niet leent
- Geen proceskostenveroordeling
Samenvatting
De minister van Asiel en Migratie hoeft een rechterlijke uitspraak over een asielzaak voorlopig niet uit te voeren. De Raad van State heeft daarvoor een voorlopige voorziening getroffen, in afwachting van een definitief oordeel in hoger beroep.
De zaak draait om een vrouw die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees die aanvraag in februari 2023 opnieuw af. De vrouw stapte daarop naar de rechter, en de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, gaf haar in februari 2026 gelijk: het besluit werd vernietigd en de minister moest een nieuw besluit nemen.
De minister was het niet eens met die uitspraak en stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegelijkertijd vroeg hij om een voorlopige voorziening, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet direct hoeft uit te voeren terwijl de procedure loopt.
De voorzieningenrechter heeft dat verzoek ingewilligd. De reden is dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, waarvoor een kort gedingprocedure zich niet goed leent. Na afweging van de belangen van beide partijen bepaalde de voorzieningenrechter dat de minister voorlopig niet gehouden is uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat er vooralsnog geen nieuw besluit over de asielaanvraag van de vrouw genomen hoeft te worden totdat de Afdeling definitief uitspraak doet in het hoger beroep.
Gegevens
Datum uitspraak
3 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
BRS.26.001190
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1799