Hoger beroep Helenavener man over arbeidsmigrantenhuisvesting niet-ontvankelijk — RVS:2026:1802
omgevingsvergunning / huisvesting arbeidsmigranten / procesbelang hoger beroep
Eiser / verzoeker
Appellant, wonend in Helenaveen, gemeente Deurne
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van Deurne
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, nu de omgevingsvergunning was ingetrokken en de vergunde termijn was verstreken.
- De omgevingsvergunning voor tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten werd op verzoek van de vergunninghoudster ingetrokken in maart 2025.
- De vergunde periode van vijf jaar was ten tijde van de uitspraak reeds verstreken, zodat er geen aanvraag meer bestond waarop kon worden beslist.
- Bij het ontbreken van procesbelang verklaart de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke beoordeling.
- De rechtbank had het besluit van 17 januari 2023 eerder vernietigd wegens onduidelijkheid over de reikwijdte van de verleende omgevingsvergunning.
Samenvatting
Een inwoner van Helenaveen, gemeente Deurne, vocht jarenlang tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders had verleend voor de huisvesting van 24 arbeidsmigranten op een glastuinbouwlocatie in zijn omgeving. Uiteindelijk verklaarde de Raad van State zijn hoger beroep niet-ontvankelijk, omdat de zaak feitelijk was komen te vervallen.
De vergunning die centraal stond in de zaak, was op 22 februari 2021 verleend aan een vergunninghoudster. Het ging om een tijdelijke vergunning van vijf jaar voor het oprichten van een gebouw voor arbeidsmigranten, met de bedoeling dat het gebouw na die periode permanent als kantoor of kantine in gebruik zou worden genomen. De man maakte bezwaar, wat leidde tot een nieuw besluit in januari 2023. Dat besluit werd door de rechtbank Oost-Brabant vernietigd, omdat onduidelijk was waarvoor de vergunning precies was verleend — met name of het college tijdelijk of permanent wilde afwijken van het bestemmingsplan.
De rechtbank droeg het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen en schorste tegelijk het oorspronkelijke besluit van 2021. De man uit Helenaveen was het echter niet eens met de uitspraak van de rechtbank en stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
Tijdens de hoger beroepsprocedure veranderde de situatie echter ingrijpend. In maart 2025 trok het college de omgevingsvergunning in op verzoek van de vergunninghoudster zelf. Bovendien was de aanvankelijk aangevraagde periode van vijf jaar voor tijdelijke huisvesting inmiddels verstreken. Er bestond dus geen geldige vergunning meer en ook geen lopende aanvraag waarover nog een beslissing kon worden genomen.
De Raad van State concludeerde daarop dat de man geen belang meer had bij de verdere behandeling van zijn hoger beroep. Als er niets meer te beslissen valt en de vergunning al is ingetrokken, heeft een rechterlijk oordeel over de rechtmatigheid van die vergunning geen praktische betekenis meer. Het hoger beroep werd dan ook niet-ontvankelijk verklaard, en een proceskostenveroordeling bleef achterwege.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:1388, Raad van State, 11-03-2026, 202406461/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:1191, Raad van State, 04-03-2026, 202401691/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:6124, Raad van State, 17-12-2025, 202306705/1/R1
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:1937, Raad van State, 30-04-2025, 202405178/1/R2
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202305047/1/R2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1802