Vrouw uit Veen faalt in strijd tegen permanente bewoning recreatiewoning — RVS:2026:1824
handhavingsverzoek / belanghebbendheid / permanente bewoning recreatiewoning
Eiser / verzoeker
Appellante, wonend in Veen, gemeente Altena
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van Altena
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- Appellante werd door het college niet als belanghebbende aangemerkt bij haar handhavingsverzoek, waardoor dat verzoek niet inhoudelijk werd behandeld
- Het bezwaar tegen de weigering werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen belanghebbende is in de zin van de wet
- De inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres als het perceel leverde geen belanghebbendheid op
- De Raad van State oordeelde dat de argumenten in hoger beroep een herhaling waren van eerder aangevoerde gronden en sloot zich volledig aan bij de rechtbank
- Het argument dat het college te laat besliste op bezwaar werd verworpen zonder procesrechtelijke consequenties
Samenvatting
Een vrouw uit Veen, gemeente Altena, probeerde via de rechter af te dwingen dat de gemeente zou optreden tegen de permanente bewoning van een recreatiewoning in haar buurt en tegen bouwactiviteiten zonder vergunning op hetzelfde perceel. De gemeente weigerde haar verzoek om handhaving inhoudelijk te behandelen, omdat zij haar niet beschouwde als belanghebbende.
De vrouw tekende bezwaar aan tegen die weigering, maar het college verklaarde dat bezwaar niet-ontvankelijk. Vervolgens stapte zij naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die haar beroep in oktober 2023 ongegrond verklaarde. Niet ontmoedigd door die uitspraak ging zij in hoger beroep bij de Raad van State.
In hoger beroep voerde de vrouw aan dat zij wel degelijk als belanghebbende moest worden aangemerkt, onder meer omdat zij ten tijde van haar handhavingsverzoek stond ingeschreven op hetzelfde adres als het perceel waarover de klacht ging. Daarnaast stelde zij dat de gemeente te laat een beslissing op bezwaar had genomen en dat de rechtbank daar ten onrechte geen gevolgen aan had verbonden.
De Raad van State ging niet mee in haar redenering. Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak kwamen de argumenten in hoger beroep in de kern neer op een herhaling van wat al bij de rechtbank naar voren was gebracht. De rechtbank had die gronden al uitvoerig beoordeeld en gemotiveerd verworpen. De Raad van State zag geen reden om tot een ander oordeel te komen en sloot zich volledig aan bij de overwegingen van de rechtbank.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De gemeente hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:5872, Raad van State, 03-12-2025, 202305995/1/R2
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:873, Raad van State, 05-03-2025, 202302047/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:788, Raad van State, 26-02-2025, 202202603/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2024:4869, Raad van State, 27-11-2024, 202306004/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202307532/1/R2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1824