Vrouw verliest aanspraak op kindgebonden budget door te late aanvraag — RVS:2026:1834
toeslagen / kindgebonden budget / aanvraagtermijn / contra-legemtoepassing
Eiser / verzoeker
appellante (vrouw wonend in [woonplaats])
Verweerder / gedaagde
Dienst Toeslagen
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de afwijzing van de aanvraag om kindgebonden budget over 2019 wegens termijnoverschrijding blijft in stand.
- De aanvraagtermijn van artikel 15, eerste lid, Awir voor kindgebonden budget over 2019 liep tot 1 september 2020; de aanvraag werd pas op 9 augustus 2021 ingediend en was daarmee te laat.
- Artikel 15, eerste lid, Awir is dwingend geformuleerd en kan als bepaling in een formele wet niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.
- Contra-legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen is niet aan de orde, omdat de wetgever de gevolgen van termijnoverschrijding bewust heeft aanvaard en de vrouw ook vóór de deadline een schriftelijke aanvraag had kunnen indienen.
- Het feit dat bijstand en kinderbijslag wél met terugwerkende kracht zijn verleend, maakt dit oordeel voor het kindgebonden budget niet anders.
- Het karakter van inkomensafhankelijke toeslagen verzet zich tegen toekenning lang na het moment waarop de kosten zijn gemaakt.
Samenvatting
Een vrouw die in 2019 vluchtte voor huiselijk geweld en in de vrouwenopvang belandde, krijgt geen kindgebonden budget over dat jaar. De Raad van State oordeelde dat haar aanvraag te laat was ingediend en dat de bijzondere omstandigheden van haar situatie geen reden zijn om een uitzondering te maken op de wettelijke aanvraagtermijn.
De vrouw had in 2018 een verblijfsvergunning gekregen als gezinslid van haar partner. Eind november 2019 verliet zij de gezamenlijke woning na geweld en verblijf zij enige tijd in de vrouwenopvang. In augustus 2020 trok de Immigratie- en Naturalisatiedienst haar verblijfsvergunning in. Pas in oktober 2021 kreeg zij opnieuw een zelfstandige verblijfsstatus en ontving zij voortaan kindgebonden budget. Op 9 augustus 2021 vroeg zij ook met terugwerkende kracht kindgebonden budget aan over het jaar 2019, maar de wettelijke aanvraagtermijn daarvoor was al verlopen op 1 september 2020.
De Dienst Toeslagen wees de aanvraag af omdat die te laat was. De vrouw maakte bezwaar en beriep zich vervolgens op haar uitzonderlijke situatie: zij was gevlucht voor haar ex-partner, kon zonder zijn handtekening geen toeslag aanvragen, had geen geldige verblijfsvergunning meer en had de kosten voor haar kinderen niet zelf kunnen dragen — de vrouwenopvang had die voorgeschoten. Bovendien meende zij op basis van een brief van de Sociale Verzekeringsbank uit 2018 te mogen verwachten dat verdere stappen niet nodig waren. Zij wees er ook op dat bijstand en kinderbijslag wél met terugwerkende kracht waren verleend, en stelde dat weigering van kindgebonden budget neerkomt op excessief formalisme.
Zowel de rechtbank Rotterdam als de Raad van State verwierpen deze argumenten. De aanvraagtermijn in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is dwingend geformuleerd en laat geen ruimte voor uitzonderingen. Omdat het hier gaat om een formele wet, kan die termijn ook niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel uit het bestuursrecht. Rechters mogen in uitzonderlijke gevallen wél afwijken van een wettelijke bepaling als die bepaling in strijd komt met algemene rechtsbeginselen — de zogeheten contra-legemtoepassing — maar de Raad van State oordeelde dat de situatie van de vrouw daarvoor niet kwalificeert.
De Raad benadrukte dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een harde termijn, juist wetende dat daarmee mensen buiten de boot kunnen vallen. Bovendien had de vrouw vóór het verstrijken van de termijn nog een rechtmatig verblijf en had zij ook zonder medewerking van haar ex-partner een schriftelijke aanvraag kunnen indienen. De brief van de SVB uit 2018 verwees haar juist expliciet door om zelf actie te ondernemen als zij eind 2018 niets had gehoord. Tot slot speelt het karakter van inkomensafhankelijke toeslagen een rol: ze zijn bedoeld als directe inkomensondersteuning en lenen zich er niet voor om jaren later alsnog met terugwerkende kracht te worden uitbetaald.
De Raad van State betuigde begrip voor de moeilijke situatie van de vrouw, maar bevestigde de uitspraak van de rechtbank: het hoger beroep is ongegrond en de afwijzing van de aanvraag om kindgebonden budget over 2019 blijft in stand.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2025:10244, Rechtbank Amsterdam, 19-12-2025, C/13/760664 / FA RK 24-8391
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RVS:2025:5890, Raad van State, 10-12-2025, 202303830/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:5891, Raad van State, 10-12-2025, 202403953/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:9652, Rechtbank Amsterdam, 08-12-2025, AMS 25/6554
Rechtbank Amsterdam · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202401957/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1834