Makkumer schipper verliest strijd om ligplaats garnalenkotter — RVS:2026:1837
handhaving / last onder dwangsom / ligplaatsverbod haven
Eiser / verzoeker
Inwoner van Makkum, gemeente Súdwest-Fryslân (appellant)
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân
Hoger beroep ongegrond verklaard; de last onder dwangsom en de invordering van €5.000 blijven in stand.
- Appellant trok op zitting zijn argument in dat de gemeentelijke havenverordening niet van toepassing was op de haven van Makkum.
- De Raad van State oordeelt dat het college het algemeen belang bij handhaving van het ligplaatsverbod zwaarder mocht laten wegen dan het belang van appellant bij een ligplaats dicht bij zijn woning.
- Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat appellant andere gevallen niet voldoende concreet en specifiek heeft benoemd.
- Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de vierjaarsgrens op het moment van uitspraak nog niet was bereikt.
- De invordering van in totaal €5.000 aan verbeurde dwangsommen blijft in stand.
Samenvatting
Een inwoner van Makkum is al jaren in conflict met de gemeente Súdwest-Fryslân over de ligplaats van zijn garnalenkotter in de haven van Makkum. De gemeente legde hem in april 2023 een last onder dwangsom op: het schip moest binnen zes weken uit de haven worden verwijderd. Toen dat niet gebeurde, vorderde de gemeente uiteindelijk het maximale bedrag van vijfduizend euro aan verbeurde dwangsommen in.
De man verzette zich hiertegen en voerde meerdere argumenten aan. Zo betoogde hij dat de gemeentelijke havenverordening helemaal niet van toepassing was op de haven van Makkum, omdat die haven onder beheer van Rijkswaterstaat zou vallen en niet van de gemeente. Dit argument trok hij op de zitting bij de Raad van State echter zelf in.
Verder stelde de schipper dat de verordening onrechtmatig onderscheid maakt tussen schepen die wel en niet voor een ligplaatsvergunning in aanmerking komen. Ook vond hij dat de maatregel onevenredig was: zijn schip kon immers ook op een andere plek in dezelfde haven liggen, en hij moest toezicht kunnen houden op zijn vaartuig en onderhoud kunnen uitvoeren, wat makkelijker gaat als het schip dicht bij zijn woning ligt.
Daarnaast beriep de schipper zich op het gelijkheidsbeginsel. Via verzoeken op grond van de Wet open overheid had hij aangetoond dat de gemeente alleen tegen hem had gehandhaafd en niet tegen andere schepen die zonder vergunning ergens in de gemeente ligplaats innamen.
De Raad van State volgt deze redenering niet. De hoogste bestuursrechter sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland, die het beroep eerder al ongegrond had verklaard. Het college heeft de belangen van de schipper wel degelijk meegewogen en alternatieven onderzocht en aangeboden, maar het algemeen belang bij handhaving van het ligplaatsverbod weegt zwaarder. Dat de schipper liever zijn schip in de buurt van zijn woning heeft om beter toezicht te houden en onderhoud te verrichten, maakt de handhaving niet onevenredig.
Over de gelijkheidsklacht oordeelt de Raad van State dat de schipper de andere gevallen niet voldoende concreet heeft benoemd, en dat de door hem aangeduide situaties zich bovendien onderscheiden van zijn eigen situatie.
De schipper had ook verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. Dat verzoek wijst de Raad van State af: de totale procedure mag in beginsel vier jaar duren, en die termijn was op het moment van de uitspraak nog niet verstreken. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2026:79, Rechtbank Noord-Nederland, 16-01-2026, LEE 24/3832
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBNNE:2026:82, Rechtbank Noord-Nederland, 15-01-2026, LEE 25/774
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5561, Rechtbank Noord-Nederland, 16-12-2025, 25/963
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:GHARL:2022:4187, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-05-2022, 200.289.622/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202404392/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1837