Makkumer garnalenvissers ligplaatsvergunning terecht geweigerd — RVS:2026:1838
ligplaatsvergunning / gemeentelijke havenverordening / beroepsvisserij
Eiser / verzoeker
appellant, beroepsvisser wonend in Makkum
Verweerder / gedaagde
college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de weigering van de ligplaatsvergunning blijft in stand en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.
- Een schip dat sinds oktober 2019 niet meer wordt gebruikt voor visserij kwalificeert niet als vissersschip in de zin van de verordening, ongeacht of het definitief anders is ingezet.
- De visserijsteiger is uitsluitend bestemd voor vissersschepen; een aanvraag voor ligplaats door een niet-vissersschip wordt terecht afgewezen.
- Al onder de Verordening 2014 gold een vergunningstelsel voor ligplaatsen; van een nieuw beperkend stelsel bij de Verordening 2021 is geen sprake.
- Appellant heeft geen beroep op overgangsrecht omdat hij onder de oude verordening geen vergunning had en het gebruik al was gewijzigd vóór inwerkingtreding van de nieuwe verordening.
- Het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen omdat de vierjaarstermijn nog niet is verstreken.
Samenvatting
Een beroepsvisser uit Makkum heeft jarenlang geprobeerd een officiële ligplaatsvergunning te krijgen voor zijn garnalenkotter aan de visserijsteiger in de haven van Makkum. De gemeente Súdwest-Fryslân weigerde die vergunning, en zowel de rechtbank als de Raad van State geven het college daarin gelijk.
De kern van het geschil draait om de vraag of het schip van de visserman nog als 'vissersschip' kan worden aangemerkt. Volgens de gemeentelijke verordening is een vissersschip een vaartuig dat hoofdzakelijk bestemd én gebruikt wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of andere levende zeedieren. Het schip lag echter al sinds oktober 2019 stil — het werd niet meer gebruikt om mee te vissen. Tijdens de zitting bij de Raad van State bleek bovendien dat het schip ook op dat moment nog steeds niet in gebruik was, niet voor de garnalenvisserij en ook niet voor enig ander doel.
De visser voerde aan dat een schip zijn status als vissersschip pas verliest als het definitief voor een ander doel wordt ingezet, of als definitief vaststaat dat het nooit meer gebruikt wordt. De Raad van State verwerpt die redenering. De verordening stelt als harde eis dat het schip ook daadwerkelijk wordt gebruikt. Jarenlang stilliggen zonder enige visserijactiviteit is voldoende om te concluderen dat het schip niet meer als vissersschip kwalificeert.
De visserijsteiger in Makkum is uitsluitend bestemd voor vissersschepen, en omdat zijn kotter die status heeft verloren, komt hij simpelweg niet in aanmerking voor een ligplaatsvergunning op die locatie. De Raad van State oordeelt ook dat de gemeente voldoende heeft onderbouwd dat de ruimte aan de steiger schaars is — de beperkte lengte van de steiger en de aanwezigheid van andere aanvragen maken dat aantoonbaar.
De visser probeerde daarnaast de verordening zelf aan te vallen. Hij stelde dat de Verordening 2021 een nieuw vergunningstelsel introduceerde dat er voorheen niet was, en dat bestaande schepen die al lang een ligplaats innamen daardoor ten onrechte buiten de boot vallen. De Raad van State volgt hem daar niet in. Al onder de eerdere Verordening 2014 gold een vergunningstelsel voor ligplaatsen in de haven van Makkum, ook voor vissersschepen. Bovendien had de visser onder die oude verordening geen geldige vergunning voor zijn schip, waardoor hij ook geen beroep kan doen op een overgangsregeling. Het gebruik van het schip was al veranderd vóórdat de nieuwe verordening in werking trad, zodat er geen sprake is van legaal gebruik dat wordt voortgezet.
De visser verzocht ook om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van zijn zaak. Die termijn bedraagt voor een procedure met bezwaar en twee rechterlijke instanties in beginsel vier jaar. Gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 29 september 2022 is die termijn op het moment van de uitspraak nog niet verstreken, zodat het verzoek wordt afgewezen.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland: het hoger beroep is ongegrond, de geweigerde ligplaatsvergunning blijft in stand en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2026:79, Rechtbank Noord-Nederland, 16-01-2026, LEE 24/3832
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBNNE:2026:82, Rechtbank Noord-Nederland, 15-01-2026, LEE 25/774
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5561, Rechtbank Noord-Nederland, 16-12-2025, 25/963
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:GHARL:2022:4187, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-05-2022, 200.289.622/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202404325/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1838