Raad van State verklaart asielverzoek niet-ontvankelijk wegens ontbrekende beroepsgronden — RVS:2026:1877
asiel / niet-ontvankelijkverklaring / Bahaddar-exceptie / interstatelijk vertrouwensbeginsel Italië
Eiser / verzoeker
minister van Asiel en Migratie
Verweerder / gedaagde
betrokkene (asielzoekster met Italiaanse verblijfsstatus)
De Raad van State verklaart het beroep van de asielzoekster niet-ontvankelijk en vernietigt de uitspraak van de rechtbank die het besluit van de minister had vernietigd.
- De Bahaddar-exceptie vereist dat feiten en omstandigheden onmiskenbaar leiden tot schending van artikel 3 EVRM, niet slechts dat zo'n schending niet kan worden uitgesloten.
- De situatie van statushouders in Italië rechtvaardigt nog geen doorbreking van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
- Een verblijfsstatus in Italië geldt nog steeds zolang deze niet expliciet is ingetrokken; de vrouw moet haar rechten aldaar eerst zelf effectueren.
- Omdat geen beroepsgronden waren ingediend en de Bahaddar-exceptie niet gold, had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van inhoudelijk te oordelen.
Samenvatting
Een vrouw met een Italiaanse verblijfsstatus vroeg in Nederland een asielvergunning aan. De minister van Asiel en Migratie verklaarde die aanvraag niet-ontvankelijk in december 2024, omdat ze al bescherming genoot in Italië. De vrouw ging in beroep bij de rechtbank Den Haag, maar diende geen beroepsgronden in — ze legde dus niet uit waarom het besluit van de minister onjuist zou zijn.
De rechtbank in Middelburg besloot desondanks het beroep inhoudelijk te behandelen. Ze deed een beroep op de zogenoemde 'Bahaddar-exceptie': een uitzondering waarmee een rechter nationale procedureregels buiten toepassing kan laten als iemand bij terugkeer onmiskenbaar een schending dreigt te ondervinden van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens — het verbod op onmenselijke behandeling. De rechtbank oordeelde dat niet kon worden uitgesloten dat de vrouw bij terugkeer naar Italië zo'n risico liep, mede vanwege de moeilijke positie van statushouders aldaar en het belang van haar ongeboren kind.
De minister tekende hoger beroep aan bij de Raad van State en betoogde dat de rechtbank een te lage drempel had gehanteerd voor die uitzondering. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State geldt de Bahaddar-exceptie alleen als er feiten en omstandigheden zijn die onmiskenbaar tot een schending van artikel 3 EVRM leiden — niet als dat risico slechts niet kan worden uitgesloten.
De Raad van State gaf de minister gelijk. De situatie van statushouders in Italië is weliswaar moeilijk, maar leidt niet tot de conclusie dat terugkeer onmiskenbaar in strijd is met artikel 3 EVRM. Bovendien had de vrouw tijdens haar eerdere verblijf in Italië gewerkt en gewoond bij een vriendin, en had ze het land niet verlaten vanwege de omstandigheden voor statushouders, maar om de vader van haar ongeboren kind te zoeken. Ook had ze nog steeds een geldige Italiaanse verblijfsstatus, die niet formeel was ingetrokken. Het is dan primair aan haar om haar rechten in Italië te effectueren.
Omdat de vrouw in beroep geen beroepsgronden had ingediend en de Bahaddar-exceptie niet van toepassing was, had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van inhoudelijk te beoordelen. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog niet-ontvankelijk.
Gegevens
Datum uitspraak
3 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
202501593/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1877