Raad van State: personeel na sluitingstijd drinken op terras is overtreding — RVS:2026:1929
handhaving / invordering dwangsom / APV sluitingstijden horeca
Eiser / verzoeker
Burgemeester van Rotterdam
Verweerder / gedaagde
Horeca-exploitante (wederpartij)
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de burgemeester gegrond en het beroep van de horecaexploitante ongegrond; de invordering van de dwangsom van €2.500 is rechtmatig.
- Personeel dat na werktijd op een horecaterras drinkt, geldt als 'bezoeker' in de zin van de APV-sluitingstijdbepalingen en valt niet onder een personeelsuitzondering.
- De sluitingstijdbepalingen zijn gericht op het voorkomen van overlast met een openbaar karakter; personeel kan even goed overlast veroorzaken als gewone bezoekers.
- De last onder dwangsom van 28 oktober 2021 gold voor twee jaar, waardoor de overtreding op 22 augustus 2023 binnen de termijn viel.
- Coronaomstandigheden rechtvaardigden niet het niet-naleven van APV-sluitingstijden, nu die voor alle horecaondernemers gelijkelijk golden.
- Financiële gevolgen van corona vormen geen grond voor matiging van de dwangsom als die niet nader zijn onderbouwd.
Samenvatting
Een Rotterdamse horeca-exploitante met een avondcafé kreeg in 2021 een last onder dwangsom opgelegd: als zij de sluitingstijden uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) opnieuw zou overtreden, moest zij €2.500 betalen. De dwangsom vloeide voort uit een eerdere overtreding waarbij ook mensen buiten sluitingstijd op het terras werden aangetroffen.
In de nacht van 22 augustus 2023 vonden politieagenten om 02.12 uur zeven personen op het terras, ruim na de sluitingstijd van 01.00 uur. Op tafel stonden meerdere gevulde wijnflessen en glazen. De burgemeester vorderde de dwangsom van €2.500 in, omdat hij stelde dat de APV was overtreden.
De eigenares maakte bezwaar en stelde onder meer dat de personen op het terras geen bezoekers waren, maar personeelsleden die na hun dienst nog wat dronken. De rechtbank Rotterdam gaf haar gelijk: omdat de APV het begrip 'bezoeker' niet definieert, zocht de rechtbank aansluiting bij de Alcoholwet, die personeel dat dienst doet uitdrukkelijk uitzondert van het begrip 'bezoeker'. De rechtbank oordeelde dat de invordering daarom niet rechtmatig was en herriep het invorderingsbesluit.
De burgemeester ging in hoger beroep bij de Raad van State. Zijn kernargument: het maakt niet uit of de aanwezige personen medewerkers zijn of niet. Na sluitingstijd moet een terras ook voor personeel gesloten zijn voor het nuttigen van alcohol. Het gaat erom dat het terras niet uitstraalt gesloten te zijn en dat overlast kan worden veroorzaakt, ongeacht wie er zit.
De Raad van State volgt die redenering. De sluitingstijdbepalingen in de APV vallen onder het hoofdstuk Openbare orde en zijn gericht op het reguleren van activiteiten met een openbaar karakter die overlast kunnen veroorzaken. Personeel dat na werktijd op het terras drinkt, kan even goed geluidsoverlast veroorzaken als gewone bezoekers. Bovendien waren de betrokkenen op dat moment niet meer aan het werk: zij verbleven op het terras in hun vrije tijd en moeten daarom worden aangemerkt als bezoekers in de zin van de APV.
De eigenares had ook andere argumenten. Ze stelde dat de last tijdens de coronapandemie ten onrechte was opgelegd, omdat ze door de onzekere tijden niet had gereageerd. De Raad van State verwerpt dit: de coronaomstandigheden golden voor alle horecaondernemers en geven geen reden om te concluderen dat de sluitingstijden niet konden worden nageleefd. Ook haar argument dat de last al verlopen zou zijn, slaagt niet: de last was opgelegd voor twee jaar vanaf 28 oktober 2021, en de overtreding op 22 augustus 2023 valt daar nog binnen. Tot slot voerde ze aan dat de dwangsom onevenredig hoog was vanwege haar financiële situatie door corona, maar dat onderbouwde zij niet. De burgemeester had bovendien aangegeven dat een betalingsregeling mogelijk is.
De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de eigenares alsnog ongegrond. De invordering van de dwangsom van €2.500 is rechtmatig.
Betrokken advocaten
mr. J.P. Langenbach
eiser
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1968, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, 09/290042-25
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:15363, Rechtbank Rotterdam, 11-12-2025, 10-064771-25 (herstelvonnis)
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:10581, Rechtbank Gelderland, 05-12-2025, 024412
Rechtbank Gelderland · Strafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:13305, Rechtbank Rotterdam, 18-11-2025, 83/052077-21
Rechtbank Rotterdam · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202406728/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1929