Raad van State: vrouw uit België krijgt geen Nederlands paspoort wegens twijfel Congolese nationaliteit — RVS:2026:1936
naturalisatie / verlening Nederlanderschap / identiteits- en nationaliteitstwijfel
Eiser / verzoeker
Vrouw wonend in België, stelt afkomstig te zijn uit de DRC
Verweerder / gedaagde
Minister van Justitie en Veiligheid
Het beroep is ongegrond verklaard; de weigering van het Nederlanderschap blijft in stand.
- De twijfel aan de identiteit en nationaliteit op basis van TOELT-taalanalyses stond al onherroepelijk vast na de uitspraak van maart 2024 en kon in dit beroep niet opnieuw worden betwist.
- De minister heeft in het nieuwe besluit van juli 2024 voldoende gemotiveerd dat geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van het paspoort.
- Het echt bevonden paspoort neemt de twijfel over de identiteit niet weg omdat de vrouw niet kon onderbouwen welke brondocumenten aan de afgifte ten grondslag lagen en hoe het afgifteproces verliep.
- De afwezigheid van de vrouw bij de hoorzitting zonder voorafgaande melding, en de instemming van haar gemachtigde met het niet inplannen van een nieuwe hoorzitting, werden haar tegengeworpen.
Samenvatting
Een vrouw die stelt afkomstig te zijn uit de Democratische Republiek Congo (DRC) en in België woont, heeft van de Raad van State geen gelijk gekregen in haar strijd om het Nederlanderschap. De minister van Justitie en Veiligheid weigerde haar verzoek omdat hij twijfelt aan haar identiteit en nationaliteit, en die twijfel bleef ook na hernieuwd onderzoek bestaan.
De vrouw diende in november 2020 een verzoek in om naturalisatie. Ter onderbouwing van haar identiteit legde zij een Congolees paspoort over, dat door Bureau Documenten als echt werd beoordeeld. Toch weigerde de minister het Nederlanderschap te verlenen. Hij baseerde zijn twijfel op twee taalanalyses uitgevoerd door het gespecialiseerde Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT). Uit die analyses bleek dat de vrouw niet eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen de DRC, maar waarschijnlijk wel tot de spraakgemeenschap in Rwanda.
Eerder, in maart 2024, had de Raad van State al geoordeeld dat de minister de twijfel aan haar identiteit op basis van de taalanalyses voldoende had onderbouwd. Wel had de minister toen een fout gemaakt: hij had bij de beoordeling van het paspoort niet verder gekeken dan de constatering dat hij niet kon vaststellen of het document correct was afgegeven. De Afdeling droeg hem op een nieuw besluit te nemen en nader onderzoek te doen naar de bewijswaarde van het paspoort en de omstandigheden waaronder het was verkregen.
In het nieuwe besluit van juli 2024 motiveerde de minister uitvoeriger waarom het paspoort de twijfels niet wegneemt. De vrouw kon niet verduidelijken welke brondocumenten aan de afgifte van het paspoort ten grondslag lagen, of dit haar eerste paspoort was, of er een geboorteakte bestond, en hoe het afgifteproces precies was verlopen. Zij verklaarde slechts dat zij een vingerafdruk had afgegeven en een formulier had ingevuld. Daarnaast verscheen zij zonder opgaaf van redenen niet bij de hoorzitting, waarbij haar gemachtigde ermee instemde geen nieuwe hoorzitting in te plannen. Daarmee kon zij ook geen verdere vragen beantwoorden.
In beroep herhaalde de vrouw grotendeels haar eerdere argumenten. Zij stelde onder meer dat niet de taalanalyse, maar de erkenning van haar nationaliteit door de Congolese autoriteiten bepalend zou moeten zijn. Ook betoogde zij dat de minister een drogredenering hanteert, omdat hij bij Nederlanders die de Nederlandse taal niet goed beheersen de afgifte van het paspoort niet in twijfel trekt. De Raad van State ging hier niet in mee. Het oordeel over de taalanalyses stond al onherroepelijk vast na de uitspraak van maart 2024 en kon niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Ten aanzien van het paspoort oordeelde de Afdeling dat de minister zijn weigering ditmaal wél voldoende had gemotiveerd.
De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond. De vrouw krijgt het Nederlanderschap niet, en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1955, Rechtbank Den Haag, 13-01-2026, NL25.54246
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:678, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.55178 en NL25.55179
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:27136, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.50375 (beroep) en NL25.50376 (voorlopige voorziening)
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:23930, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL24.36737
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
202404954/1/V6
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1936