Dienst Toeslagen wint: weduwe asbestslachtoffer moet €4.063 terugbetalen — RVS:2026:1937
huurtoeslag / vermogensberekening / asbestuitkering / overgangsrecht
Eiser / verzoeker
Dienst Toeslagen (appellant)
Verweerder / gedaagde
Erven van de wederpartij
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond en de terugvordering van €4.063 aan huurtoeslag over 2022 blijft gehandhaafd.
- Toeslagzaken worden beoordeeld op basis van de regelgeving die gold in het betreffende toeslagjaar, niet op basis van later gewijzigde regels.
- De rechtbank kende ten onrechte terugwerkende kracht toe aan de per 1 januari 2024 gewijzigde Uitvoeringsregeling Awir.
- In de regeling zoals die gold in 2022 gold de uitzondering voor asbestvergoedingen alleen voor uitkeringen rechtstreeks aan slachtoffers zelf, niet aan nabestaanden of erfgenamen.
- De TNS-uitkering van bijna €19.000 die via erfenis bij de weduwe terechtkwam, moest terecht worden meegeteld bij de berekening van haar rendementsgrondslag.
- De terugvordering van €4.063 aan huurtoeslag over 2022 blijft in stand.
Samenvatting
Een weduwe van een asbestslachtoffer moest ruim vier duizend euro aan huurtoeslag terugbetalen, omdat een uitkering die haar man ontving kort voor zijn dood in 2013 meegerekend werd als vermogen. Na haar overlijden vochten haar erfgenamen die terugvordering aan. De zaak draait om de vraag of een speciale uitzondering voor asbestslachtoffers ook geldt voor vermogen dat via erfenis is verkregen.
Haar man ontving in september 2013, vlak voor zijn overlijden, een uitkering van bijna negentienduizend euro op grond van een regeling voor niet-loondienstgerelateerde mesothelioom- en asbestoseslachtoffers. Dit bedrag viel in de gemeenschappelijke boedel en erfde zijn vrouw. Bij de vaststelling van haar huurtoeslag over 2022 telde de Dienst Toeslagen dit bedrag mee als vermogen, waardoor zij net boven de toegestane grens uitkwam. Het voorschot van ruim vierduizend euro werd volledig teruggevorderd.
De rechtbank Limburg gaf de erfgenamen in 2025 aanvankelijk gelijk. Zij redeneerde dat het onredelijk was om de uitkering wél als bijzonder vermogen te beschouwen wanneer die rechtstreeks aan nabestaanden was uitgekeerd, maar níet wanneer die via erfenis was verkregen. Per 1 januari 2024 was de regelgeving bovendien aangepast zodat ook nabestaanden van asbestslachtoffers van de uitzondering kunnen profiteren. De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen te strikt handelde en droeg op een nieuw besluit te nemen.
De Dienst Toeslagen ging in hoger beroep bij de Raad van State. Centraal stond de vraag welke regelgeving van toepassing is: die van het toeslagjaar 2022, of de gewijzigde regels die pas per 2024 in werking traden. De Afdeling bestuursrechtspraak herinnerde aan een vaste lijn in haar rechtspraak: toeslagzaken worden beoordeeld op basis van de regels die golden in het betreffende toeslagjaar. Alleen als er uitdrukkelijk overgangsrecht is vastgesteld, kan dat anders zijn — en dat was hier niet het geval.
In de regeling zoals die gold in 2022 werd de uitzondering voor asbestvergoedingen alleen toegepast op uitkeringen die rechtstreeks aan de slachtoffers zelf waren uitgekeerd. Nabestaanden vielen daar niet onder, laat staan erfgenamen van een nabestaande. Door de nieuwe regels van 2024 toe te passen op een geschil over het jaar 2022 kende de rechtbank terugwerkende kracht toe aan die wetswijziging, aldus de Raad van State. Dat mag niet.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de erfgenamen alsnog ongegrond. Het oorspronkelijke besluit van de Dienst Toeslagen blijft daarmee overeind: de huurtoeslag over 2022 is definitief vastgesteld op nul euro en de terugvordering van €4.063 blijft gehandhaafd.
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202502289/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1937