Utrechtse afhaalzaak krijgt dwangsommen niet terug na ontbreken leidinggevende — RVS:2026:1947
handhaving horecaverordening / last onder dwangsom / aanwezigheidsplicht leidinggevende
Eiser / verzoeker
Vof (Utrechtse horeca-exploitant afhaalzaak en restaurant)
Verweerder / gedaagde
Burgemeester van Utrecht
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de twee dwangsommen van elk €2.500 (totaal €5.000) blijven verschuldigd.
- Artikel 14 van de Verordening horeca gemeente Utrecht vereist fysieke aanwezigheid van de leidinggevende in het pand zelf; onmiddellijke nabijheid met zicht op het pand volstaat niet.
- De Vof was al ruim een jaar voor de dwangsomoplegging gewaarschuwd en had voldoende tijd om de overtreding te beëindigen.
- Financiële gevolgen van handhaving vormen geen bijzondere omstandigheid die maakt dat handhaving onevenredig is.
- Het ontbreken van overlast is niet relevant voor de vraag of een overtreding van de aanwezigheidsplicht is begaan.
- Toekomstige personeelsproblemen komen als ondernemersrisico voor rekening van de exploitant.
Samenvatting
Een Utrechtse vennootschap die een afhaalzaak en een restaurant exploiteert, probeerde tevergeefs bij de Raad van State twee opgelegde dwangsommen van elk €2.500 van tafel te krijgen. De burgemeester van Utrecht had de dwangsommen ingevorderd omdat de afhaalzaak herhaaldelijk open was zonder dat er een aanwezige leidinggevende in het pand aanwezig was — een vereiste op grond van de Utrechtse horecaverordening.
De eigenaren hadden een creatieve oplossing bedacht: een van de vennoten pendelde tussen de afhaalzaak en het restaurant dat schuin aan de overkant van de straat lag. Vanuit het restaurant had zij zicht op de afhaalzaak en kon ze snel aanwekomen lopen als dat nodig was. De Vof betoogde dan ook dat 'aanwezigheid bij het horecabedrijf' niet letterlijk fysieke aanwezigheid in het pand betekent, maar moet worden uitgelegd als onmiddellijke nabijheid met direct zicht.
De Raad van State volgde die redenering niet. De term 'horecabedrijf' in artikel 14 van de Verordening horeca gemeente Utrecht moet worden uitgelegd als fysieke aanwezigheid in het pand zelf. Een leidinggevende die aan de overkant van de straat staat, voldoet daar niet aan. Daarmee stonden de overtredingen op 20 juli en 19 december 2024 vast.
De Vof had ook aangevoerd dat handhaving in dit geval onevenredig was. Ze wees erop dat de afhaalzaak nooit overlast had veroorzaakt, dat ze al jaren op dezelfde manier werkte zonder dat de gemeente daar eerder bezwaar tegen had gemaakt, en dat het vinden van gekwalificeerd personeel dat als leidinggevende kan worden bijgeschreven lastig en kostbaar is.
De Raad van State zette die argumenten één voor één opzij. De burgemeester had al in januari en juni 2023 gewaarschuwd, en in november 2023 een formele waarschuwingsbrief gestuurd met daarin de mogelijke gevolgen. De Vof had dus ruim meer dan een jaar de tijd gehad om de situatie te herstellen. Dat handhaving financieel pijnlijk uitpakt, is op zichzelf geen reden om van handhaving af te zien. En dat er nooit overlast is geweest, is niet relevant: de aanwezigheidsplicht van een leidinggevende dient ter voorkoming van ongeregeldheden, en die plicht geldt ongeacht of er daadwerkelijk problemen zijn opgetreden. De onzekerheid dat leidinggevenden in de toekomst mogelijk kunnen vertrekken, is een ondernemersrisico dat voor rekening van de Vof komt.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De twee dwangsommen van in totaal €5.000 blijven daarmee definitief verschuldigd.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2025:6030, Rechtbank Midden-Nederland, 10-11-2025, 16/330729-24
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:CBB:2025:591, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-11-2025, 24/610
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2025:588, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-11-2025, 24/370
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:6727, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-10-2025, 200.355.801
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
202503808/1/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1947