Juristi.nl
ECLI:NL:RVS:2026:1957Bestuursrecht

Raad van State stuurt legalisatie bedrijfswoning Easternijtsjerk terug — RVS:2026:1957

omgevingsvergunning / handhaving / bedrijfswoning op bedrijventerrein

Eiser / verzoeker

Appellant A (eigenaar perceel) en Appellant B (huurder/ondernemer), wonend in Nes en Easternijtsjerk

VS

Verweerder / gedaagde

College van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân

De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank op het punt van de noodzaak voor de bedrijfswoning en verwijst de zaak terug voor verdere beoordeling van de geluidsaspecten.

  • Het college erkende alsnog dat er een noodzaak bestaat voor de bedrijfswoning, waardoor de weigering op die grond niet stand houdt.
  • De rechtbank had de erkenning van de noodzaak ten onrechte niet meegewogen; de Raad van State vernietigt de uitspraak op dit punt.
  • Renka B.V. werd niet als belanghebbende erkend omdat haar belang als financier slechts afgeleid is via een contractuele relatie.
  • De vraag of legalisatie in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege geluid is nog niet beslecht en wordt verder beoordeeld.
  • Op het perceel is een bedrijfswoning niet toegestaan zonder de aanduiding 'bedrijfswoning', maar binnenplanse afwijking is mogelijk mits aan voorwaarden is voldaan.

Samenvatting

Een eigenaar en huurder van een pand op bedrijventerrein 't Oogh in Easternijtsjerk streden jarenlang voor legalisatie van een bedrijfswoning. De eigenaar verhuurde het pand aan een onderneemster die er zowel haar bedrijf exploiteerde als woonde. Dat laatste was volgens het geldende bestemmingsplan niet toegestaan: het perceel had de bestemming 'Bedrijventerrein' en miste de benodigde aanduiding voor een bedrijfswoning.

Na een handhavingsverzoek van andere ondernemers op het bedrijventerrein, die vreesden dat de woning hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden zou beperken, greep de gemeente Noardeast-Fryslân in. Een aanvraag om een omgevingsvergunning werd in juli 2022 geweigerd, en de eigenaar kreeg een last onder dwangsom opgelegd van aanvankelijk 30.000 euro, later verlaagd naar 25.000 euro. De bewoning moest worden beëindigd, al hoefden de keuken en badkamer niet te worden verwijderd.

De rechtbank Noord-Nederland stelde in augustus 2023 de gemeente in het gelijk. Appellanten hadden volgens de rechtbank onvoldoende aangetoond dat er een noodzaak bestond voor de bedrijfswoning, en het college had zich terecht op het standpunt gesteld dat legalisatie onwenselijk was vanwege milieuproblemen, met name geluid.

In hoger beroep bij de Raad van State kantelde het beeld op één belangrijk punt. Het college erkende alsnog — ook op de zitting bevestigd — dat er gelet op de aard van de bedrijfsvoering wél een noodzaak bestaat voor een bedrijfswoning. Daarmee was een van de centrale weigeringsgronden komen te vervallen: de rechtbank had dit ten onrechte niet onderkend. De Raad van State oordeelde dat het college de vergunning niet op die grond had mogen weigeren.

Een andere partij, Beheer en Beleggingsmaatschappij Renka B.V., die zich als financier van het bedrijf bij de procedure had gemeld, werd niet als belanghebbende erkend. De Raad van State stelde vast dat Renka slechts een afgeleid belang had via een contractuele relatie met de ondernemer, en dat dit onvoldoende is om als rechtstreeks belanghebbende te worden aangemerkt. De door Renka ingediende stukken werden buiten beschouwing gelaten.

Over de vraag of legalisatie ook in strijd is met een goede ruimtelijke ordening — met name vanwege geluidsoverlast van omringende bedrijven — heeft de Raad van State in deze uitspraak nog geen eindoordeel gegeven. Appellanten hadden meerdere geluidsrapporten laten opstellen en zelfs verzocht om inschakeling van de STAB als onafhankelijk adviseur. De Raad van State heeft de zaak op dat punt terugverwezen voor verdere beoordeling. De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland werd vernietigd voor zover die betrekking had op de weigeringsgrond van de noodzaak.

Betrokken advocaten

mr. F. Krol-Postma

appellanten

Bunder Advocaten, HEERENVEEN

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

8 april 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

202306414/1/R3

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:RVS:2026:1957

Bekijk op rechtspraak.nl