Verblijfsvergunningsaanvraag terecht niet in behandeling genomen — RVS:2026:59
verblijfsvergunning regulier / niet in behandeling nemen aanvraag / bestuurlijke heroverweging
Eiser / verzoeker
betrokkene (Nigeriaanse man, geboren 1994)
Verweerder / gedaagde
minister van Asiel en Migratie
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee de beslissing van de minister om de verblijfsvergunningsaanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft.
- Minister is niet verplicht om in bezwaar alsnog rekening te houden met na het primaire besluit ingediende ontbrekende stukken; dit is een discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst
- Geen hoorplicht in bezwaar als redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat het bezwaar niet tot een andere beslissing zou leiden
- Aanvraag voor verblijfsvergunning medische behandeling terecht buiten behandeling gesteld wegens ontbreken vereiste medische gegevens
Samenvatting
Een Nigeriaanse man, geboren in 1994, vroeg in maart 2024 een verblijfsvergunning aan in Nederland op medische gronden. De minister van Asiel en Migratie weigerde de aanvraag echter überhaupt in behandeling te nemen, omdat de man niet de vereiste medische gegevens van zijn huisarts had ingediend. Dat was verplicht om de aanvraag compleet te maken. De man had daarvoor van de minister extra tijd gekregen, maar leverde de stukken toch niet tijdig aan.
Pas in de bezwaarfase, nadat zijn aanvraag al buiten behandeling was gesteld, overlegde de man de ontbrekende medische gegevens. Hij voerde aan dat hij hulp had ingeschakeld van Vluchtelingenwerk om de stukken te verzamelen, maar kon niet uitleggen waarom ook die organisatie de documenten niet op tijd had aangeleverd. Bovendien werd hij bij zijn aanvraag al bijgestaan door een gemachtigde die goed op de hoogte was van zijn psychische problemen.
De rechtbank Den Haag gaf de man aanvankelijk gelijk. Volgens de rechtbank had de minister bij de beoordeling van het bezwaar niet alleen mogen kijken of de aanvraag destijds terecht buiten behandeling was gesteld, maar ook of het handhaafbaar was om de aanvraag nog steeds niet te behandelen nu de stukken wél beschikbaar waren. De minister had volgens de rechtbank onvoldoende aangetoond dat het belang van de man beperkt was.
De minister tekende hoger beroep aan bij de Raad van State, en die gaf de minister alsnog gelijk. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de minister de bevoegdheid om te beslissen of zij alsnog rekening houdt met later ingediende stukken, maar is zij daartoe niet verplicht. Die keuze mag de rechter slechts terughoudend toetsen. De Raad van State oordeelde dat de minister in dit geval in redelijkheid mocht weigeren de aanvraag alsnog te behandelen, nu de man geen goede verklaring had gegeven voor het te laat indienen van de medische gegevens.
De man had ook betoogd dat hij in de bezwaarfase gehoord had moeten worden over de omstandigheden die hadden geleid tot het te laat aanleveren van de stukken. Ook dat argument verwierp de Raad van State. Omdat de man zelf niet betwistte dat hij de gegevens niet op tijd had ingestuurd én geen overtuigende reden had gegeven waarom niet, was er volgens de Afdeling redelijkerwijs geen twijfel dat een hoorzitting niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Het horen was dus niet vereist.
Het incidenteel hoger beroep dat de man had ingesteld voor het geval het hoger beroep van de minister zou slagen, werd eveneens verworpen. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het oorspronkelijke beroep van de man ongegrond. Zijn aanvraag om een verblijfsvergunning blijft daarmee buiten behandeling.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:311, Rechtbank Midden-Nederland, 05-02-2026, 16.026920.25
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht; Strafprocesrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1084, Rechtbank Den Haag, 21-01-2026, NL25.61144
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:445, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.14357
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:25735, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, NL25.53143
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 januari 2026
Instantie
Raad van StateRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
BRS.25.000704
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:59